Klaas Görtemöller (24)

Geboren: 13 juli 1920 te Sliedrecht
Overleden: 17 november 1944 te Zöschen

Adres: C480 (huidig adres: ter hoogte van Molendijk 160).

Het persoonlijke verhaal van Klaas Görtemöller (13-07-1920) is in november 2008 verteld door zijn jongste zoon Teus:
“Mijn vader Klaas werd in 1920 in Sliedrecht geboren. Hij trouwde in 1940 met mijn moeder Marrigje Kooij. Op twintigjarige leeftijd werd hij vader van mijn zus Pleuni en anderhalf jaar later kwam er een zoon: mijn broer Wim. In september 1943 werd ik geboren. Ruim zeven maanden later, op 16 mei 1944, werd mijn vader in Sliedrecht opgepakt bij de Merwederazzia en zou hij nooit meer bij zijn gezin terugkeren. Op 9 juli 1943 werd mijn vader voor het eerst naar Duitsland uitgezonden. Tot begin 1943 was hij als ijzervlechter/bakschipper werkzaam bij Volker Beton in Sliedrecht. Vanwege de meldingsplichtige leeftijd in die tijd kreeg hij een oproep van het Gewestelijk Arbeidsbureau. Mijn moeder was toen zwanger van mij en de arts was bereid een verklaring te schrijven, dat uitzending hierdoor niet wenselijk was. Hoewel hieraan gehoor gegeven werd, werd mijn vader wel verplicht Wehrmachtswerk te gaan verrichten voor de organisatie Todt te Willemsdorp. Na vier maanden moest hij zich melden in Wijk aan Zee en van daaruit werd hij rechtstreeks doorgezonden naar Duitsland. Daar werd hij te Kassel als ijzervlechter te werkgesteld bij de O.T. In oktober 1943 werd hij overgeplaatst naar Herne-Sodingen. Uit brieven die hij naar huis schreef, werd duidelijk dat hij het slecht had in Duitsland. Hij verlangde erg naar huis, waar hij zijn zwangere vrouw met twee kinderen had moeten achterlaten. In zijn afwezigheid was mijn moeder in september 1943 inmiddels van mij bevallen. In mei 1944 mocht mijn vader eindelijk – na vanaf juli 1943 onafgebroken in Duitsland te zijn geweest – met verlof naar huis. Toen zag mijn vader mij voor het eerst en naar later zou blijken ook voor het laatst. Hij voelde er uiteraard weinig voor naar Duitsland terug te keren. Toen zijn vader te kennen gaf een onderduikadres voor hem te weten in de buurt van Soest, had hij zijn besluit snel genomen: hij zou niet opnieuw naar Duitsland afreizen. Door een speling van het lot gebeurde dat helaas wel. Op 16 mei 1944 was hij op weg naar het station in Sliedrecht om van daaruit naar het onderduikadres in Soest te reizen. Zover kwam het niet, want hij liep in de val van de razzia en zo werd hij door de Grüne Polizei gearresteerd. Zoals het die dag ook vele andere jongens verging, werd hij naar de verzamelplaats bij de Grote Kerk in Sliedrecht gebracht. Mijn moeder heeft hem daar die avond in de rij zien staan zo vertelde ze ons later. Mijn vader heeft daar nog kans gezien haar zijn portemonnee te geven. ‘Daar heb jij met drie kinderen meer aan dan ik’, schijnt hij gezegd te hebben. Vanuit Sliedrecht werd hij overgebracht naar Kamp Amersfoort. Toen de Merwedegijzelaars in juli 1944 vanuit Amersfoort op transport gingen, belandde hij in een concentratiekamp in Duitsland in de buurt van Leipzig. Mijn moeder vernam al die tijd niets van hem. Dat hij in de buurt van Leipzig gevangen zat, kwam haar via via ter ore. In april 1945 ontving ze van het Nederlandse Rode Kruis de mededeling dat haar man in november 1944 te Dölkau in Zöschen was overleden. Volgens betrouwbare bronnen was mijn vader gestorven van ellende, ontbering en totale uitputting. In het kamp waar hij is overleden bleek hij te zijn ingedeeld bij het zogenaamde dodencommando, wat inhield dat hij belast was met het afvoeren en begraven van lijken. Werk wat gezien de omstandigheden en mijn vaders karakter – mijn vader was nogal zwaar op de hand heb ik begrepen – waarschijnlijk tot zijn eigen dood heeft geleid. Mijn vader ligt in Duitsland begraven, maar heeft er geen persoonlijk graf. We hebben na de oorlog geprobeerd hem in Sliedrecht te laten herbegraven, maar omdat hij in een massagraf lag, is dat helaas niet gelukt. Het spreekt voor zich, dat het voor mijn moeder allemaal niet makkelijk is geweest. Op 23 jarige leeftijd weduwe worden en met drie zeer jonge kinderen achterblijven. Zeker ook in het licht van die tijd, de sociale voorzieningen waren niet zo goed als nu. In 1948 is mijn moeder hertrouwd met mijn stiefvader, die ons als zijn eigen kinderen heeft opgevoed. In die zin hebben mijn zus, broer en ik dus geen vader gemist, maar toch …”
 
De Struikelsteen voor Klaas Görtemöller is op maandag 6 februari 2017 geplaatst op de Molendijk, ter hoogte van nummer 160. De steen is geadopteerd door de ABB Bouwgroep, het bedrijf wat op dit adres gevestigd is.

Teunis Ceelen (19)

Geboren: 22 februari 1925 te Sliedrecht
Overleden: 10 november 1944 te Lippendorf

Adres: Stationsweg 196 (thans nummer 198)

Het persoonlijke verhaal van Teunis (Teus) Ceelen is op 21 oktober 2015 verteld door zijn jongste zus Greet van der Weijde-Ceelen (1938):
“We waren thuis met acht kinderen, vijf jongens en drie meiden, waarvan ik de jongste was. Op de dag van de Merwerazzia – 16 mei 1944 – werden mijn twee oudste broers Jos en Teus thuis aan de Stationsweg opgepakt. Mijn ouders en ik waren niet thuis, we waren op bezoek bij familie van mijn moeder ergens in het Land van Heusden en Altena. Ik was nog geen zes jaar, ik kan me er praktisch niets meer van herinneren. Mijn zus Mieke was die dag wel thuis, ze lag ziek (pleuritis) in bed. Zij vertelde later dat Teus nog naar boven was gerend om zijn bijbeltje te pakken en de foto van zijn vriendin. Zus Mieke kreeg ook nog een knuffel van hem en dat was het.

Mijn oudste broer Jos, die bijna twee jaar ouder was dan Teus, is in Kamp Amersfoort vrijgelaten. Waarom weet ik niet precies. Mijn moeder schijnt tegen Jos gezegd te hebben toen hij thuis kwam: ‘Waarom heb je Teus niet meegebracht?’ Dat zijn woorden die nog lang zijn blijven hangen, want Teus werd in juli 1944 in Amersfoort op transport naar Duitsland gesteld en kwam nooit meer thuis. Hij is op 10 november 1944 overleden in Lippendorf. Wij kregen daar geloof ik pas in januari 1945 bericht van. Vijf jaar na zijn dood – in november 1949 – is Teus herbegraven op de begraafplaats in Sliedrecht.

Omdat ik nog zo jong was, heb ik zelf weinig herinneringen aan mijn broer. Ik weet nog wel dat hij heel huiselijk was, heel anders dan Jos, dat was veel meer een vrijbuiter. Af en toe mocht ik met Teus mee in zijn zeilboot en ik vond het erg spannend als we dan heel schuin gingen. Dat is zo’n beetje de enige herinnering die ik echt aan hem heb. En nog steeds heb ik de piek in bezit die Teus ooit van mijn moeder heeft mogen kopen voor in de kerstboom. Thuis werd er nooit meer over Teus en de oorlog gesproken. Als ik daar nu over nadenk, vind ik dat heel raar, maar ik denk ook wel dat ik gezien mijn leeftijd destijds van veel dingen werd weggehouden. Mijn moeder is in 1978 overleden. Kort voor haar dood, hebben we nog wel over Teus gesproken en toen zei ze: ‘Ach kind, ik denk er nog steeds elke dag aan’. Bij mijn broer Jos hetzelfde verhaal. Aan het eind van zijn leven, toen hij al ziek was, vertelde hij een en ander over de oorlog. Heel summier, maar toch.”

In de oorlog woonde Teus met zijn broers en zussen in het ouderlijk huis aan de Stationsweg 196 (thans nummer 198) in Sliedrecht. Daar heeft Gunter Demnig op zaterdag 28 april 2018 om 11.30 uur een Struikelsteen voor Teus gelegd. Loco-burgemeester Hanny Visser hield er een toespraak en Anja van der Starre deed dat namens de familie. Mevrouw Greet van der Weijde-Ceelen reikte de steen voor haar broer aan Demnig aan. Samen met Henk Ceelen, de oudste zoon van haar broer Jos, legde ze ook de witte roos.

 

Gerrit Gijsbertus de Bruin (19)

Geboren: 1 december 1924 te Sliedrecht
Overleden: 30 september 1944 te Kieritzsch

Adres: Wilhelminastraat 11 (oorspronkelijke woning is gesloopt)

Gerrit Gijsbert – Gert – de Bruin (1948) is de zoon van een broer (Teun) van de omgekomen Merwedegijzelaar Gerrit Gijsbert de Bruin (1924). Gert, die is vernoemd naar zijn in 1944 overleden oom, vertelt op 8 september 2015 het volgende verhaal:
“Mijn oom Gerrit was de jongste in een gezin van vier kinderen. Een nakomertje en daarmee min of meer de lieveling van mijn grootouders. Op 16 mei 1944 pakten de Duitsers Gerrit op toen hij aan het werk was in de machinefabriek aan de Industrieweg in Sliedrecht. Gerrit was toen 19 jaar en woonde als enige van de kinderen nog thuis in de Wilhelminastraat (destijds op last van de Duitsers Noordsingel geheten). Gerrit werd naar de verzamelplaats bij de Grote Kerk in Sliedrecht gebracht. Volgens de verhalen die ik heb gehoord, heeft mijn oma hem daar nog opgezocht om hem een pakketje met spullen te overhandigen. Of dat gelukt is weet ik niet. Gerrit werd afgevoerd naar Kamp Amersfoort. Na enige tijd kregen mijn grootouders een brief waarin stond dat er een koffer met spullen gebracht moest worden, omdat Gerrit op transport naar Duitsland gesteld zou worden. Mijn opa is er zelf heen geweest om de koffer te brengen, maar hij kreeg zijn zoon er niet te zien.

Op 6 juli 1944 is Gerrit met de andere gijzelaars op transport naar Duitsland gesteld. Hij verbleef er eerst in kamp Schkopau en later in De Kippe te Lippendorf. Een neef van mij heeft nog de briefkaart die Gerrit vanuit Duitsland naar huis heeft gestuurd. Dat moet dan vrij snel na zijn aankomst daar geweest zijn, want op 30 september 1944 is hij al overleden, naar verluidt aan longontsteking. In oktober 1944 is hij in Duitsland begraven. Vijf jaar later – in november 1949 – vond de herbegrafenis plaats op de Algemene Begraafplaats in Sliedrecht waar Gerrit sindsdien een oorlogsgraf heeft.

Zelf ben ik in 1948 geboren, heb mijn oom en naamgenoot dus niet gekend. Wel hing er bij ons thuis – net als bij opa en oma en de broer en zuster van mijn vader – een foto van oom Gerrit aan de muur. Naarmate ik ouder word, merk ik dat mijn interesse in de geschiedenis en wat er destijds is gebeurd toeneemt. Maar helaas is er niemand meer om er naar te vragen.”

De tekst op de briefkaart (zie foto op deze pagina) die Gerrit de Bruin in september 1944 naar zijn zus en zwager in Sliedrecht stuurde, luidt als volgt:

G.G. de Bruin, no. 757
A.E.Z. – A.S.W. 10 Böhlen bij Leipzig. Holländer Lager Deutsland
(poststempel: Böhlen IKF Leipzig 21.9.44.-16)
Lippendorf, 3 sept. 1944.

Beste Zuster en Zwager,
Met deze bericht ik U dat ik nog gezond ben in de hoop van jullie en de anderen ook nog. Het is wel lang geleden dat we elkander gezien hebben maar vergeten heb ik je niet. Ik heb al reeds eerder naar jullie geschreven maar die kaart is bepaald niet aangekomen. Op het ogenblik is het zondagmorgen en het is robberig weer. De ene tijd is het hier erg warm en dan kan je het weer niet harden van de kou vooral de nachten zijn erg koud. Hoe gaat het op het ogenblik met je, Leen, heb je nog dikwijls last van maagpijn of nu niet meer, want als ik me goed herinner was je nog in de Ziektewet hè toen ik vertrok. Nou het is maar goed dat jij hier niet zit want dat eten van hier is goed voor zeer gezonde magen. Het heeft wel lang geduurd voor ze thuis tijding gekregen hebben maar ik ben nu toch blij dat ze nu tijding gehad hebben. Ik vind het jammer dat het zo lang aangelopen is maar ja, daar was nu eenmaal niets aan te doen. Ik hoop dat Moeder er niet onder geleden heeft, je laat ze maar veel naar je toe komen hoor Mag om kousen te stoppen dat geeft wat afwisseling. Wanneer je deze kaart ontvangen hebt dan hoop ik wat meer gehoord te hebben van thuis en van jullie ook, want 1 brief in 6 weken is niet veel. Verders mag je gerust ook wat in een pakket doen zoals spek en vet enz. want die zouden we hier met vreugde ontvangen. Het adres van hierboven is goed, daar kun je ook terugschrijven. Verder geen (bijzonderheden) de hartelijke groeten van jullie broer Gerrit.

Op 18 september 2021 heeft burgemeester Jan de Vries in aanwezigheid van een groot aantal nabestaanden een struikelsteen voor Gerrit de Bruin gelegd. De steenlegging zou eigenlijk in november 2020 plaatsvinden, maar kon toen vanwege de coronamaatregelen niet doorgaan. Neef en naamgenoot Gert de Bruin (links op foto 2) hield een toespraak en nicht Gerrie Lekkerkerker legde namens de familie de witte roos bij de steen voor haar oom.

Barend de Bruin (25)

Geboren: 7 juni 1919 te Sliedrecht
Overleden: 7 november 1944 te Merseburg

Adres: A130 (huidig adres: Rivierdijk ter hoogte van nummer 72).

Cornelia (Corrie) van der Plas-de Bruin (1933), een nicht van Barend de Bruin vertelt op 12 november 2015 het volgende:
“Barend, zijn vader Frans en zijn oom Wouter (de laatste was mijn vader), werkten bij mijn opa Barend, waar hij naar vernoemd is, in het bedrijf. Opa handelde in hooi en pachtte daartoe hooiland in de Sliedrechtse Biesbosch. Daardoor werkten zij ’s zomers in de hooibouw en om ’s winters ook van werk te zijn voorzien, in de grienden. Zodoende begaven Barend en mijn vader zich die bewuste dag in mei 1944, ’s morgens in alle vroegte met de fiets op weg naar de haven. Daar zouden zij met hun roeiboot de rivier over steken om werk te verrichten in een daar tegenover liggende polder, ik dacht van in de ‘Ronduit’. Zoals gebruikelijk in z’n geval, stalden zij hun fiets bij oom Barend en tante Nel in de Rijshoutstraat nr. 28. Vandaar ging het lopend naar de roeiboot die bij het toenmalige zwembad in de haven aangemeerd lag. Maar voor ze goed en wel aan boord konden stappen kwamen er enkele Duitsers op hen af die zeiden: “Nee, terug!” Verder werd door hen nergens naar gevraagd, dus liepen ze gauw terug naar oom Barend en tante Nel. Mijn vader is toen met de fiets naar huis gegaan, terwijl tante Nel zei: “Barend, blijf jij nou maar hier want het is te gevaarlijk, anders pikken ze je nog op.” Tante Nel had daaraan toegevoegd: “Ga jij maar onder de vloer in de kruipruimte,” maar dat wilde hij niet, om reden zijn oom en tante niet in gevaar te brengen. Nou ja, later kwamen de Duitsers die huis aan huis naar binnen gingen op zoek naar jongens en troffen zo ook Barend aan. Later bleek dat ze hem meegenomen hadden naar de kerk waar nog meer jongens verzameld werden om op het eind van de dag overgebracht te worden naar Amersfoort en weer later naar Duitsland, waarvan hij nooit meer zou terugkeren.

Toen wij hoorden dat na verloop van tijd verschillende jongens uit Amersfoort werden vrijgelaten, ben ik verschillende keren aan het station gaan kijken. Dan was het dikwijls een drukte van belang op de Stationsweg met mensen die ook een familielid in Amersfoort hadden en dezelfde hoop koesterden op hun terugkeer. Ik stond altijd naar de deur van de uitgang van het station te kijken of een van mijn neven – Jielis Guys of Barend – er door zouden komen. Een enkele keer zag ik jongens terug komen, zoals die van Gort de elektricien, maar mijn beide neven waren er nooit bij en keerde ik steeds onverrichter zaken naar huis terug.

Ik weet nog dat zijn broer Wim kwam vertellen dat Barend niet meer terug zou komen. Wij woonden toen in Wijk A op nr. 258, terwijl ik al te bed lag en het denk ik een zomerdag was, want het was nog licht, stonden mijn vader en moeder aan de dijk. Dat deden de mensen vroeger op een mooie avond wel meer om met buren of voorbijgangers een praatje te maken en ik mijn neef Wim tegen mijn ouders hoorde zeggen: “Barend komt niet meer terug.” Toen schoot hij zeker vol en is gelijk weer teruggegaan, dat heb ik tenminste van mijn vader en moeder gehoord. Waaraan hij is overleden heb ik nooit geweten, verder dacht ik dat hij in Duitsland was gecremeerd. Dat het een slag was voor oom Frans, is wel zeker en ook voor opa en oma De Bruin waar Barend en zijn broer Wim met hun vader in huis waren sinds het overlijden van hun moeder. Zij overleed op de dag dat Barend 10 jaar werd. Voor de keus gesteld heeft zijn vader na de oorlog er voor gekozen Barend in Loenen te laten herbegraven en niet in Sliedrecht.”

Eli de Bruin voegt hier op 29 november 2015 nog aan toe:
“De broer van Barend, Wim (1922), was mijn vader en zou gezien zijn leeftijd ook in aanmerking gekomen zijn om opgepakt te worden, maar heeft zich ten tijde van de razzia in de ruimte tussen de woningen van Piet de Jager (A 235) en Piet Visser (A 237), die aan de dijkzijde met een schutting was dicht gezet, schuil gehouden. Later is hij nog in de Biesbosch ondergedoken daar zijn ‘Ausweis’ als landarbeider al eerder was ingetrokken en hij een oproep van het arbeidsbureau gekregen had om in Düsseldorf te werk te worden gesteld.”

Familie Kleinkramer

Salomon Kleinkramer, geboren 8 mei 1896 te Strijen
Sara Kleinkramer-den Hartog, geboren 18 juli 1899 te Sliedrecht
Simon Kleinkramer, geboren 7 januari 1926 te Rotterdam
Hartog Kleinkramer, geboren 5 februari 1930 te Rotterdam
Siegfried Kleinkramer, geboren 15 augustus 1931 te Rotterdam
Mietje Kleinkramer, geboren 30 september 1933 te Rotterdam

Moeder Sara (43) is met haar kinderen Hartog (12), Siegfried (11) en Mietje (8) in Auschwitz omgebracht op 14 september 1942.  Vader Salomon (46) en zoon Simon (17) worden op 31 maart 1943 omgebracht in Seibersdorf.

Adres: Merwesingel 88 (thans: Adriaan Volkersingel 22).

De familie Kleinkramer wordt 24 juni 1940 in Sliedrecht ingeschreven. Ze betrekken de woning Merwesingel 88 (nu Adriaan Volkersingel 22). Waarschijnlijk was dit huis op dat moment onbewoond – de vorige bewoner verhuisde in maart naar de Merwestraat – en is Salomon Kleinkramer er door zijn zwager, die enkele huizen verder woonde, op attent gemaakt.

De familie woonde tot dan in Rotterdam in de Roo Valkstraat. Aan de overkant van hun straat werden de huizen door de brand na het bombardement van 14 mei 1940 verwoest. Dat weinig aantrekkelijke straatbeeld, de aannemelijke schade aan hun woning, de rust van Sliedrecht en de aanwezigheid van familie vormen samen waarschijnlijk het motief hierheen te komen.

Maar ook de Sliedrechtse rust is betrekkelijk. En voor een aantal Joodse inwoners is 2 mei 1942 “de druppel”. De gemeente verstrekt dan namelijk aan de Duitsers een uitgebreide lijst met persoonsgegevens van Joodse inwoners. Voor vijf families is dat reden Sliedrecht te ontvluchten en onder te duiken.

Dat onderduiken is ook het idee van de familie Kleinkramer. Zoon Simon bereidt samen met zijn oom Jacques van Gelderen een onderduikvlucht voor. Dat leidt tot een grote mislukking. Ze worden gevangen genomen. Simon wordt na enkele dagen vrijgelaten, maar wel krijgt de hele familie huisarrest opgelegd. Dat maakt het de Duitsers op 4 september 1942 gemakkelijk. Iedereen is in het huis en dus hoeft er weinig moeite te worden gedaan ze allemaal tegelijk op te pakken.

Sliedrechtenaar Henk van Veen (geboren 24-4-1935) is van dat oppakken ooggetuige: “Ik woonde als kind met mijn ouders in de Trompstraat op nummer 28. In die tijd zag de buurt er anders uit dan nu. De huizen van de Hugo de Grootstraat waren nog niet gebouwd en ook aan de Singel was de boel tussen het huis met het rieten dak aan de Piet Heinstraat en het huis van de familie Kleinkramer nog kaal.

Dat hele gebied, we noemden dat ‘het Stort’, was voor ons een prachtig speelterrein. Als kinderen waren wij veel te vinden aan de rivier en in de loopgraven, die daar waren aangebracht. Op de dag dat de familie Kleinkramer werd opgepakt, waren we aan het spelen in de buurt van het huis van meneer Kraaijeveld (later heeft dokter Van Gangelen daar nog gewoond). Plotseling stopte er een kleine overkapte Duitse truck en stapten twee soldaten uit. Ik heb er een poosje staan kijken toen de familie naar de auto liep. Dat duurde niet zo lang, ik denk dat de handbagage al gereed heeft gestaan. Bij het instappen werden ze door de Duitsers geholpen. Dat gebeurde allemaal heel rustig zonder bevelen en zonder geschreeuw. Als jochie van 7 besef je niet wat en waarom het gebeurde. Maar tot op de dag van vandaag zie ik het voor me”.

Henk vertelt dat hij voor het eerst met het fenomeen ‘Struikelstenen’ in aanraking kwam in de Duitse stad Freiburg. Dat nu ook in Sliedrecht hieraan aandacht wordt besteed, doet hem veel. Het deed hem besluiten de steen van Mietje Kleinkramer te adopteren. Henk van Veen: “Mijn geboortejaar is 1935. En hoewel ze een jaar of zo ouder was dan ik, beschouw ik Mietje – uit dat gezin – als mijn leeftijdgenote.”

De zes struikelstenen voor de familie Kleinkramer zijn op maandag 6 februari 2017 door Gunter Demnig gelegd in de stoep van het adres Adriaan Volkersingel 22 te Sliedrecht.

Sara Kleinkramer met zoontje Hartog, omstreeks 1930 /1931.

Familie Van Gelderen

Jacques van Gelderen, geboren 4 juli 1903 te Rotterdam
Sophia van Gelderen-Kleinkramer, geboren 30 juli 1901 te Rotterdam
Simon Gabriël van Gelderen, geboren 15 april 1935 te Rotterdam

Moeder Sophia (41) en zoon Simon (7) zijn samen omgebracht op 19 augustus 1942 in Auschwitz. Jacques van Gelderen (39) is op 30 september 1942 in Auschwitz omgebracht.

Onderduikadres: Stationsweg 32 (huis van mejuffrouw Leentje Nederlof)

De familie Van Gelderen verhuist in de eerste week van maart 1941 van Rotterdam naar Sliedrecht. Ze behoren tot de kostgangers van Leentje Nederlof. Anders dan de latere “onderduikers” worden zij keurig ingeschreven bij de burgerlijke stand en ook De Merwebode meldt (onder het wekelijks kopje “Van komen en gaan”) het nieuwe woonadres: Stationsweg 32 (zie foto). Dat kan in het eerste oorlogsjaar nog allemaal.

De familie Van Gelderen (helaas zijn er geen foto’s van de familie beschikbaar) verhuist naar Sliedrecht omdat hier familie woont van de vrouw des huizes. De broer van Sophia is – met zijn gezin – na het bombardement van Rotterdam naar Sliedrecht (Merwesingel 88) verhuisd en ook de moeder van Sophia (Betje Kleinkramer – den Hartog) woont in Sliedrecht.

Als de omstandigheden voor Joden slechter (en slechter) worden, overlegt Jacques met zijn zwager Salomon Kleinkramer de mogelijkheden onder te duiken. Jacques doet een beroep op een buurtgenoot en die weet twee vrienden zo ver te krijgen met Jacques en diens neefje Simon Kleinkramer naar de Biesbosch te gaan om daar verdere voorbereidingen voor het vertrek van beide families te treffen.

De bedoeling is Jacques en Simon tijdelijk in de Biesbosch onder te brengen in een keet die wordt gebruikt door griendwerkers. Als het gezelschap bij de keet aankomt, blijkt deze nog in gebruik. De aanwezige griendwerkers zijn niet bereid de twee Joden onderdak te bieden. Als ook een poging beiden bij een boer aan het Wantij onder te brengen mislukt, aanvaarden ze in hun kano’s de terugtocht. De kano waarin Jacques, Simon en een van de Sliedrechtse jongens zitten, maakt water en het lukt de inzittenden maar net de oever aan de Sliedrechtse kant te bereiken. Daar worden ze opgepakt en naar het politiebureau aan het Dr. Langeveldplein gebracht.

Volgens het dagrapport van de politie worden ze daar om 2 uur ’s nachts op 12 augustus in bewaring gesteld. Ook de 2e Sliedrechtse jongeman, die in een 2e kano aan de overtocht meedoet, belandt in de cel. Uit het verhoor van deze jongeman komt ook de betrokkenheid van de buurtgenoot van Jacques van Gelderen aan het licht en die van een Sliedrechter die aanvankelijk met een motorboot de overtocht zou doen. Helaas blijkt die boot op het moment suprême defect. Wel brengt de eigenaar er de volgende dag koffers mee naar de overkant. Als hij daar aankomt, vertellen de griendwerkers hem dat ze hebben geweigerd de Joden onderdak te verlenen. Zowel de buurtgenoot als de booteigenaar (later op die dag) worden opgepakt.

De vier eerste arrestanten en de gearresteerde buurtgenoot worden aan het begin van de avond van 12 augustus overgebracht naar Rotterdam. De booteigenaar volgt een dag later.  Na een dag of vier worden de twee Sliedrechtse jongens, de booteigenaar en Simon Kleinkramer vrijgelaten en keren terug naar het dorp. Simon krijgt wel (met zijn hele familie) huisarrest opgelegd. De buurtgenoot, die ook bleek te beschikken over een gedemonteerd machinegeweer, zit tot 10 september 1942 vast en wordt daarna naar Kamp Amersfoort overgebracht. In december komt hij vrij maar moet zich steeds melden bij de SD.

Jacques van Gelderen keert niet meer terug naar Sliedrecht. Heel kort na zijn arrestatie worden ook zijn vrouw en zoontje opgepakt. En binnen een week na het bootongeluk worden Sophia en Simon Gabriël – op de dag dat ze daar aankomen – omgebracht in Auschwitz-Birkenau. Jacques van Gelderen treft ruim een maand later hetzelfde lot.

De ontwikkelende bouwer Gebr. Blokland (die nagenoeg op de plek van Stationsweg 32 het appartementencomplex “De Speler” realiseert) hoorde dit verhaal en maakte het mogelijk de drie stenen van de familie Van Gelderen te laten leggen. Dit is op 7 oktober 2019 gebeurd. Klik hier voor de foto’s. 

Lees ook het artikel in het periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht, december 2019: Verhalen over de bewoners van Stationsweg 32 tijdens de oorlog.

Familie Simon den Hartog

Simon den Hartog, geboren 19 juni 1869 te Sliedrecht
Mietje den Hartog – den Hartog, geboren 18 april 1870 te Ridderkerk
Hendrijntje den Hartog, geboren 26 mei 1901 te Sliedrecht
Betje Kleinkramer–den Hartog, geboren 27 juli 1867 te Sliedrecht
Sophia den Hartog, geboren 15 oktober 1881 te Barendrecht

Simon (73), Mietje (72), hun dochter Hendrijntje (41) en de familieleden Betje (75) en Sophia (61) zijn allemaal op 3 december 1942 omgebracht in Auschwitz.

Adres: A664 (thans: Rivierdijk 414)

 

Als we het over Simon den Hartog hebben, dan hebben we het eigenlijk over de bekendste Joodse inwoner van ons dorp: Hartog de Jood. Zo stond hij in Sliedrecht bekend. De toevoeging “De Jood” was niet als scheldwoord bedoeld. Hij zou zo zijn genoemd omdat er in Sliedrecht meerdere families “Hartog” en “Den Hartog” woonden, die geen Joodse achtergrond hadden.

Simon (of Siem, zoals hij werd genoemd) is geboren en getogen in Sliedrecht. De ouders van Simon vestigen zich na hun huwelijk in ons dorp en betrekken de woning B 495. Dat is nu de omgeving van Today Jeans & Fashion in de Kerkbuurt (nr. 112). Op 24 mei 1895 trouwt Simon in Ridderkerk met zijn achternicht Mietje den Hartog. Ze gaan wonen in de stoep bij lorrenboer Jan Broere en beginnen daar een manufacturenwinkeltje. Omdat het gezin en ook de handel groeien, verhuizen ze in 1910 naar A 664 (nu Rivierdijk 414).

Simon en Mietje krijgen zes kinderen (vier dochters en twee zoons): Hartog (1896), Simon (1897), Sara (1899), Hendrijntje (1901), Elizabeth (1903) en Rozetta (1912). Zoon Simon overlijdt op 21-jarige leeftijd; Hartog blijft na zijn huwelijk in Sliedrecht wonen (zie elders op deze site: familie Hartog den Hartog). Ook Sara en Elizabeth trouwen en verhuizen beiden naar Rotterdam. Rozetta verhuist eveneens naar de havenstad. Alleen Hendrijntje (ook wel ‘Heintje’ of kortweg ‘Hein’ genoemd) blijft thuis wonen.

Het pand waar de familie woont, is groot genoeg om nog enkele familieleden te herbergen. Zo komt Betje, de oudere zus van Simon, na het overlijden van haar man terug naar Sliedrecht en krijgt ook nichtje Sophia (dochter van een oom van Simon) er onderdak.

Simon is op allerlei gebied actief in Sliedrecht. Hij wordt bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1923 met voorkeurstemmen voor de Vrijheidsbond (een liberale groepering) in de raad gekozen. Hij treedt dan min of meer in de voetsporen van zijn broer Hartog, die van 1905 tot 1923 eveneens voor de liberalen lid van de Sliedrechtse raad was. Vooraf aan de verkiezingen van 1927 raakt Simon in onmin met zijn liberale vrienden en besluit met een eigen lijst mee te gaan doen. Met die eigen lijst (Sliedrechts Belang) lukt het hem zowel bij de verkiezingen van 1927 als die van vier jaar later één zetel te behalen. In 1935 houdt hij de plaatselijke politiek voor gezien. Simon is in die tijd ook voorzitter van de Sliedrechtse Middenstandsvereniging, voorzitter van de vereniging “Volksonderwijs”, bestuurslid van de Oranjevereniging en lid van de Vrijwillige Brandweer.

Na de Kristallnacht (van 9 op 10 november 1938) spreken de Duitse Nazi’s onomwonden over de door hen gewenste oplossing van het ‘Joodse probleem’. Een oplossing, die – in de woorden van Göring -, snel en definitief moet zijn. Zoals zoveel Joodse Nederlanders ziet Simon hierin nog weinig gevaar. En zelfs als in Nederland na de inval van de Duitsers allerlei voor Joden beperkende maatregelen worden genomen, is onderduiken voor Simon geen optie. Wel geeft hij zijn overbuurman wijnhandelaar Gerrit Netten een fikse hoeveelheid geld om eventueel ondergedoken familieleden te helpen voorzien in hun levensonderhoud.

Van de mogelijkheid onder te duiken, maakt alleen dochter Rozetta (Ro) gebruik. Zij is dan ook de enige van de kinderen, aangetrouwde kinderen en kleinkinderen van Simon die de oorlog zal overleven. In november 1945 heropent Ro de winkel van haar vader, emigreert in 1962 naar Israël en overlijdt daar in de stad Herzliya op 12 september 1998.

Simon wordt met zijn familie, huisgenoten en het gezin van zijn zoon Hartog op 17 november 1942 door twee Nederlandse inspecteurs van de SD bij het Sliedrechtse politiebureau afgeleverd. Van daaruit worden ze op transport gesteld naar Amsterdam. Het verhaal gaat dat het verlaten van de woning door een groot aantal buurtbewoners is gadegeslagen, maar of Simon daarbij inderdaad afscheid nam met de woorden: “Tot ziens, dag Sliedrecht” hebben we niet kunnen achterhalen.

Op 18 november 1942 arriveren Simon, Mietje, Hendrijntje, Betje en Sophia in Westerbork. Van daar worden ze op 30 november gedeporteerd. Drie dagen later zijn ze allemaal in Auschwitz vergast.

Op vrijdagmiddag 27 april 2018 (Koningsdag) heeft Gunter Demnig om 13.00 uur bij het adres Rivierdijk 414 vijf Struikelstenen voor de familie Simon den Hartog gelegd. Burgemeester Van Hemmen hield een toespraak net als de Joodse Hariët Eissenmann-de Leeuw uit Israël. De witte rozen werden gelegd door kinderen van de Prins Willem Alexanderschool, Alex Visser namens PRO Sliedrecht en een afgevaardigde van het kerkbestuur.