Hester Kattenburg-Fles (54)

Geboren: 20 april 1888 te Rotterdam
Omgebracht:  9 april 1943 te Sobibor

Onderduikadres: Stationsweg 32 (bij mejuffrouw Nederlof). Bij de hernummering van de Stationsweg in 1952 kreeg de woning nr. 42.

J.A. Batenburg schreef in zijn boek “Sliedrecht in oorlogstijd” – naar wij veronderstellen op basis van de op dat moment bij hem bekend zijnde gegevens – dat in 1943 13 Joden bij mejuffrouw Nederlof waren ondergedoken. Wat er precies met hen is gebeurd blijft schimmig: “Toen de Duitsers huiszoeking kwamen doen, zijn enige Joden via het dak gevlucht en hebben zich verstopt achter het station. Helaas werd de vluchtpoging opgemerkt en zijn alle 13 Joden achterhaald. Omdat de groep te groot was voor de overvalwagen is een bus van de M.E.G.G.A. gehaald om de mensen naar Rotterdam te vervoeren. Niemand weet waar de Joden vandaan kwamen en waar ze later naar toe zijn gebracht”. Ook meldt het verhaal: “Twee politieagenten moesten de ontsnapte Joden gaan zoeken. Doelbewust volgden ze verkeerde aanwijzingen van omstanders en hebben geen vluchteling gezien”.

In het dagrapport van de Sliedrechtse politie van woensdag 3 maart (op donderdag 4 maart) 1943 lezen we dat om 11.30 “op last van de Duitse politie, Devisenschutzkommando Niederlande, Aussenstelle R’dam, Parklaan 40 politieassistentie is verleend bij de arrestatie van een achttal Joden, die zich in strijd met de desbestreffende voorschriften ophielden bij Mejuffrouw Nederlof, Stationsweg 32 alhier. Een tweetal Joden namen bij de komst van de Duitsche beambten de vlucht. Een der Duitschers loste een schot doch miste, waarom de Joden richting van den Dijk wegliepen. De overige Joden werden door voornoemde beambten naar het Bureau van Politie overgebracht”.

De namen van de acht opgepakte Joodse onderduikers:
Joseph de Raaij;
Vrouwtje de Raaij-de Jong (echtgenote van Joseph);
David de Goede;
Julia de Goede-Salomons (moeder van David);
Rozette van Aals;
Martha Kattenburg-Goldstein (schoonzus van Antoinetta en Hester);
Antoinetta Rosenau-Fles (zus van Hester) en
Hester Kattenburg-Fles (zus van Antoinetta).

Via het Rode Kruis is achterhaald dat ze allemaal op 29 maart zijn aangekomen in Westerbork en van daaruit op transport zijn gesteld naar Duitsland. Joseph en Vrouwtje zijn op 17 september 1943 vermoord in Auschwitz. Bij de anderen gebeurde dat in Sobibor op 9 april 1943.

Het dagrapport vermeldt ook wie er zijn ontkomen:
“De ontvluchte Joden, volgens opgave van Mejuffrouw Nederlof, genaamd: Jacob Loeb, oud 20 jaar en Aaron Nathan, oud 29 jaar, verbleven sedert eenige maanden ten huize van Mejuffrouw Nederlof, voornoemd, evenals de andere genoemde Joden”.

Lees ook het artikel in het periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht, december 2019: Verhalen over de bewoners van Stationsweg 32 tijdens de oorlog.

Op 7 oktober 2019 is er ook voor Hester Kattenburg-Fles een steen geplaatst aan de Stationsweg. Klik hier voor de foto’s.

Foto hieronder: de schoonzussen Hester (links) en Martha Kattenburg.

 

Antoinetta Rosenau-Fles (57)

Geboren: 6 juni 1885 te Rotterdam
Omgebracht:  9 april 1943 te Sobibor

Onderduikadres: Stationsweg 32 (bij mejuffrouw Nederlof). Bij de hernummering van de Stationsweg in 1952 kreeg de woning nr. 42.

J.A. Batenburg schreef in zijn boek “Sliedrecht in oorlogstijd” – naar wij veronderstellen op basis van de op dat moment bij hem bekend zijnde gegevens – dat in 1943 13 Joden bij mejuffrouw Nederlof waren ondergedoken. Wat er precies met hen is gebeurd blijft schimmig: “Toen de Duitsers huiszoeking kwamen doen, zijn enige Joden via het dak gevlucht en hebben zich verstopt achter het station. Helaas werd de vluchtpoging opgemerkt en zijn alle 13 Joden achterhaald. Omdat de groep te groot was voor de overvalwagen is een bus van de M.E.G.G.A. gehaald om de mensen naar Rotterdam te vervoeren. Niemand weet waar de Joden vandaan kwamen en waar ze later naar toe zijn gebracht”. Ook meldt het verhaal: “Twee politieagenten moesten de ontsnapte Joden gaan zoeken. Doelbewust volgden ze verkeerde aanwijzingen van omstanders en hebben geen vluchteling gezien”.

In het dagrapport van de Sliedrechtse politie van woensdag 3 maart (op donderdag 4 maart) 1943 lezen we dat om 11.30 “op last van de Duitse politie, Devisenschutzkommando Niederlande, Aussenstelle R’dam, Parklaan 40 politieassistentie is verleend bij de arrestatie van een achttal Joden, die zich in strijd met de desbestreffende voorschriften ophielden bij Mejuffrouw Nederlof, Stationsweg 32 alhier. Een tweetal Joden namen bij de komst van de Duitsche beambten de vlucht. Een der Duitschers loste een schot doch miste, waarom de Joden richting van den Dijk wegliepen. De overige Joden werden door voornoemde beambten naar het Bureau van Politie overgebracht”.

De namen van de acht opgepakte Joodse onderduikers:
Joseph de Raaij;
Vrouwtje de Raaij-de Jong (echtgenote van Joseph);
David de Goede;
Julia de Goede-Salomons (moeder van David);
Rozette van Aals;
Martha Kattenburg-Goldstein (schoonzus van Antoinetta en Hester);
Antoinetta Rosenau-Fles (zus van Hester) en
Hester Kattenburg-Fles (zus van Antoinetta).

Via het Rode Kruis is achterhaald dat ze allemaal op 29 maart zijn aangekomen in Westerbork en van daaruit op transport zijn gesteld naar Duitsland. Joseph en Vrouwtje zijn op 17 september 1943 vermoord in Auschwitz. Bij de anderen gebeurde dat in Sobibor op 9 april 1943.

Het dagrapport vermeldt ook wie er zijn ontkomen:
“De ontvluchte Joden, volgens opgave van Mejuffrouw Nederlof, genaamd: Jacob Loeb, oud 20 jaar en Aaron Nathan, oud 29 jaar, verbleven sedert eenige maanden ten huize van Mejuffrouw Nederlof, voornoemd, evenals de andere genoemde Joden”.

Lees ook het artikel in het periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht, december 2019: Verhalen over de bewoners van Stationsweg 32 tijdens de oorlog.

Op 7 oktober 2019 is er ook voor Antoinett Rosenau-Fles een steen geplaatst aan de Stationsweg. Klik hier voor de foto’s.

Martha Kattenburg-Goldstein (55)

Martha Kattenburg staat rechts op de foto naast haar schoonzus Hester Kattenburg.

Geboren: 1 juli 1887 te Krefeld
Omgebracht:  9 april 1943 te Sobibor

Onderduikadres: Stationsweg 32 (bij mejuffrouw Nederlof). Bij de hernummering van de Stationsweg in 1952 kreeg de woning nr. 42.

J.A. Batenburg schreef in zijn boek “Sliedrecht in oorlogstijd” – naar wij veronderstellen op basis van de op dat moment bij hem bekend zijnde gegevens – dat in 1943 13 Joden bij mejuffrouw Nederlof waren ondergedoken. Wat er precies met hen is gebeurd blijft schimmig: “Toen de Duitsers huiszoeking kwamen doen, zijn enige Joden via het dak gevlucht en hebben zich verstopt achter het station. Helaas werd de vluchtpoging opgemerkt en zijn alle 13 Joden achterhaald. Omdat de groep te groot was voor de overvalwagen is een bus van de M.E.G.G.A. gehaald om de mensen naar Rotterdam te vervoeren. Niemand weet waar de Joden vandaan kwamen en waar ze later naar toe zijn gebracht”. Ook meldt het verhaal: “Twee politieagenten moesten de ontsnapte Joden gaan zoeken. Doelbewust volgden ze verkeerde aanwijzingen van omstanders en hebben geen vluchteling gezien”.

In het dagrapport van de Sliedrechtse politie van woensdag 3 maart (op donderdag 4 maart) 1943 lezen we dat om 11.30 “op last van de Duitse politie, Devisenschutzkommando Niederlande, Aussenstelle R’dam, Parklaan 40 politieassistentie is verleend bij de arrestatie van een achttal Joden, die zich in strijd met de desbestreffende voorschriften ophielden bij Mejuffrouw Nederlof, Stationsweg 32 alhier. Een tweetal Joden namen bij de komst van de Duitsche beambten de vlucht. Een der Duitschers loste een schot doch miste, waarom de Joden richting van den Dijk wegliepen. De overige Joden werden door voornoemde beambten naar het Bureau van Politie overgebracht”.

De namen van de acht opgepakte Joodse onderduikers:
Joseph de Raaij;
Vrouwtje de Raaij-de Jong (echtgenote van Joseph);
David de Goede;
Julia de Goede-Salomons (moeder van David);
Rozette van Aals;
Martha Kattenburg-Goldstein (schoonzus van Antoinetta en Hester);
Antoinetta Rosenau-Fles (zus van Hester) en
Hester Kattenburg-Fles (zus van Antoinetta).

Via het Rode Kruis is achterhaald dat ze allemaal op 29 maart zijn aangekomen in Westerbork en van daaruit op transport zijn gesteld naar Duitsland. Joseph en Vrouwtje zijn op 17 september 1943 vermoord in Auschwitz. Bij de anderen gebeurde dat in Sobibor op 9 april 1943.

Het dagrapport vermeldt ook wie er zijn ontkomen:
“De ontvluchte Joden, volgens opgave van Mejuffrouw Nederlof, genaamd: Jacob Loeb, oud 20 jaar en Aaron Nathan, oud 29 jaar, verbleven sedert eenige maanden ten huize van Mejuffrouw Nederlof, voornoemd, evenals de andere genoemde Joden”.

Lees ook het artikel in het periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht, december 2019: Verhalen over de bewoners van Stationsweg 32 tijdens de oorlog.

Op 7 oktober 2019 is er ook voor Martha Kattenburg-Goldstein een steen geplaatst aan de Stationsweg. Klik hier voor de foto’s.

Op onderstaande foto’s:
Links: Martha Kattenburg-Goldstein gefotografeerd in juli 1935 in een poffertjeskraam in Scheveningen.
Rechts: Martha’s kleinzoon David Kattenburg (1953) tijdens zijn bezoek aan de Dijksynagoge in Sliedrecht op 9 augustus 2019.

      

 

 

Rozette van Aals (60)

Geboren: 26 juni 1882 te Utrecht
Omgebracht:  9 april 1943 te Sobibor

Onderduikadres: Stationsweg 32 (bij mejuffrouw Nederlof). Bij de hernummering van de Stationsweg in 1952 kreeg de woning nr. 42.

J.A. Batenburg schreef in zijn boek “Sliedrecht in oorlogstijd” – naar wij veronderstellen op basis van de op dat moment bij hem bekend zijnde gegevens – dat in 1943 13 Joden bij mejuffrouw Nederlof waren ondergedoken. Wat er precies met hen is gebeurd blijft schimmig: “Toen de Duitsers huiszoeking kwamen doen, zijn enige Joden via het dak gevlucht en hebben zich verstopt achter het station. Helaas werd de vluchtpoging opgemerkt en zijn alle 13 Joden achterhaald. Omdat de groep te groot was voor de overvalwagen is een bus van de M.E.G.G.A. gehaald om de mensen naar Rotterdam te vervoeren. Niemand weet waar de Joden vandaan kwamen en waar ze later naar toe zijn gebracht”. Ook meldt het verhaal: “Twee politieagenten moesten de ontsnapte Joden gaan zoeken. Doelbewust volgden ze verkeerde aanwijzingen van omstanders en hebben geen vluchteling gezien”.

In het dagrapport van de Sliedrechtse politie van woensdag 3 maart (op donderdag 4 maart) 1943 lezen we dat om 11.30 “op last van de Duitse politie, Devisenschutzkommando Niederlande, Aussenstelle R’dam, Parklaan 40 politieassistentie is verleend bij de arrestatie van een achttal Joden, die zich in strijd met de desbestreffende voorschriften ophielden bij Mejuffrouw Nederlof, Stationsweg 32 alhier. Een tweetal Joden namen bij de komst van de Duitsche beambten de vlucht. Een der Duitschers loste een schot doch miste, waarom de Joden richting van den Dijk wegliepen. De overige Joden werden door voornoemde beambten naar het Bureau van Politie overgebracht”.

De namen van de acht opgepakte Joodse onderduikers:
Joseph de Raaij;
Vrouwtje de Raaij-de Jong (echtgenote van Joseph);
David de Goede;
Julia de Goede-Salomons (moeder van David);
Rozette van Aals;
Martha Kattenburg-Goldstein (schoonzus van Antoinetta en Hester);
Antoinetta Rosenau-Fles (zus van Hester) en
Hester Kattenburg-Fles (zus van Antoinetta).

Via het Rode Kruis is achterhaald dat ze allemaal op 29 maart zijn aangekomen in Westerbork en van daaruit op transport zijn gesteld naar Duitsland. Joseph en Vrouwtje zijn op 17 september 1943 vermoord in Auschwitz. Bij de anderen gebeurde dat in Sobibor op 9 april 1943.

Het dagrapport vermeldt ook wie er zijn ontkomen:
“De ontvluchte Joden, volgens opgave van Mejuffrouw Nederlof, genaamd: Jacob Loeb, oud 20 jaar en Aaron Nathan, oud 29 jaar, verbleven sedert eenige maanden ten huize van Mejuffrouw Nederlof, voornoemd, evenals de andere genoemde Joden”.

Lees ook het artikel in het periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht, december 2019: Verhalen over de bewoners van Stationsweg 32 tijdens de oorlog.

Op 7 oktober 2019 is er ook voor Rozette van Aals een steen geplaatst aan de Stationsweg. Klik hier voor de foto’s.

Julia de Goede-Salomons (56)

Geboren: 21 augustus 1886 te Arnhem
Omgebracht:  9 april 1943 te Sobibor

Onderduikadres: Stationsweg 32 (bij mejuffrouw Nederlof). Bij de hernummering van de Stationsweg in 1952 kreeg de woning nr. 42.

J.A. Batenburg schreef in zijn boek “Sliedrecht in oorlogstijd” – naar wij veronderstellen op basis van de op dat moment bij hem bekend zijnde gegevens – dat in 1943 13 Joden bij mejuffrouw Nederlof waren ondergedoken. Wat er precies met hen is gebeurd blijft schimmig: “Toen de Duitsers huiszoeking kwamen doen, zijn enige Joden via het dak gevlucht en hebben zich verstopt achter het station. Helaas werd de vluchtpoging opgemerkt en zijn alle 13 Joden achterhaald. Omdat de groep te groot was voor de overvalwagen is een bus van de M.E.G.G.A. gehaald om de mensen naar Rotterdam te vervoeren. Niemand weet waar de Joden vandaan kwamen en waar ze later naar toe zijn gebracht”. Ook meldt het verhaal: “Twee politieagenten moesten de ontsnapte Joden gaan zoeken. Doelbewust volgden ze verkeerde aanwijzingen van omstanders en hebben geen vluchteling gezien”.

In het dagrapport van de Sliedrechtse politie van woensdag 3 maart (op donderdag 4 maart) 1943 lezen we dat om 11.30 “op last van de Duitse politie, Devisenschutzkommando Niederlande, Aussenstelle R’dam, Parklaan 40 politieassistentie is verleend bij de arrestatie van een achttal Joden, die zich in strijd met de desbestreffende voorschriften ophielden bij Mejuffrouw Nederlof, Stationsweg 32 alhier. Een tweetal Joden namen bij de komst van de Duitsche beambten de vlucht. Een der Duitschers loste een schot doch miste, waarom de Joden richting van den Dijk wegliepen. De overige Joden werden door voornoemde beambten naar het Bureau van Politie overgebracht”.

De namen van de acht opgepakte Joodse onderduikers:
Joseph de Raaij;
Vrouwtje de Raaij-de Jong (echtgenote van Joseph);
David de Goede;
Julia de Goede-Salomons (moeder van David);
Rozette van Aals;
Martha Kattenburg-Goldstein (schoonzus van Antoinetta en Hester);
Antoinetta Rosenau-Fles (zus van Hester) en
Hester Kattenburg-Fles (zus van Antoinetta).

Via het Rode Kruis is achterhaald dat ze allemaal op 29 maart zijn aangekomen in Westerbork en van daaruit op transport zijn gesteld naar Duitsland. Joseph en Vrouwtje zijn op 17 september 1943 vermoord in Auschwitz. Bij de anderen gebeurde dat in Sobibor op 9 april 1943.

Het dagrapport vermeldt ook wie er zijn ontkomen:
“De ontvluchte Joden, volgens opgave van Mejuffrouw Nederlof, genaamd: Jacob Loeb, oud 20 jaar en Aaron Nathan, oud 29 jaar, verbleven sedert eenige maanden ten huize van Mejuffrouw Nederlof, voornoemd, evenals de andere genoemde Joden”.

Lees ook het artikel in het periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht, december 2019: Verhalen over de bewoners van Stationsweg 32 tijdens de oorlog.

Op 7 oktober 2019 is er ook voor Julia de Goede-Salomons een steen geplaatst aan de Stationsweg. Klik hier voor de foto’s.

David de Goede (20)

Geboren: 10 september 1922 te Amsterdam
Omgebracht:  9 april 1943 te Sobibor

Onderduikadres: Stationsweg 32 (bij mejuffrouw Nederlof). Bij de hernummering van de Stationsweg in 1952 kreeg de woning nr. 42.

J.A. Batenburg schreef in zijn boek “Sliedrecht in oorlogstijd” – naar wij veronderstellen op basis van de op dat moment bij hem bekend zijnde gegevens – dat in 1943 13 Joden bij mejuffrouw Nederlof waren ondergedoken. Wat er precies met hen is gebeurd blijft schimmig: “Toen de Duitsers huiszoeking kwamen doen, zijn enige Joden via het dak gevlucht en hebben zich verstopt achter het station. Helaas werd de vluchtpoging opgemerkt en zijn alle 13 Joden achterhaald. Omdat de groep te groot was voor de overvalwagen is een bus van de M.E.G.G.A. gehaald om de mensen naar Rotterdam te vervoeren. Niemand weet waar de Joden vandaan kwamen en waar ze later naar toe zijn gebracht”. Ook meldt het verhaal: “Twee politieagenten moesten de ontsnapte Joden gaan zoeken. Doelbewust volgden ze verkeerde aanwijzingen van omstanders en hebben geen vluchteling gezien”.

In het dagrapport van de Sliedrechtse politie van woensdag 3 maart (op donderdag 4 maart) 1943 lezen we dat om 11.30 “op last van de Duitse politie, Devisenschutzkommando Niederlande, Aussenstelle R’dam, Parklaan 40 politieassistentie is verleend bij de arrestatie van een achttal Joden, die zich in strijd met de desbestreffende voorschriften ophielden bij Mejuffrouw Nederlof, Stationsweg 32 alhier. Een tweetal Joden namen bij de komst van de Duitsche beambten de vlucht. Een der Duitschers loste een schot doch miste, waarom de Joden richting van den Dijk wegliepen. De overige Joden werden door voornoemde beambten naar het Bureau van Politie overgebracht”.

De namen van de acht opgepakte Joodse onderduikers:
Joseph de Raaij;
Vrouwtje de Raaij-de Jong (echtgenote van Joseph);
David de Goede;
Julia de Goede-Salomons (moeder van David);
Rozette van Aals;
Martha Kattenburg-Goldstein (schoonzus van Antoinetta en Hester);
Antoinetta Rosenau-Fles (zus van Hester) en
Hester Kattenburg-Fles (zus van Antoinetta).

Via het Rode Kruis is achterhaald dat ze allemaal op 29 maart zijn aangekomen in Westerbork en van daaruit op transport zijn gesteld naar Duitsland. Joseph en Vrouwtje zijn op 17 september 1943 vermoord in Auschwitz. Bij de anderen gebeurde dat in Sobibor op 9 april 1943.

Het dagrapport vermeldt ook wie er zijn ontkomen:
“De ontvluchte Joden, volgens opgave van Mejuffrouw Nederlof, genaamd: Jacob Loeb, oud 20 jaar en Aaron Nathan, oud 29 jaar, verbleven sedert eenige maanden ten huize van Mejuffrouw Nederlof, voornoemd, evenals de andere genoemde Joden”.

Lees ook het artikel in het periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht, december 2019: Verhalen over de bewoners van Stationsweg 32 tijdens de oorlog.

Op 7 oktober 2019 is er ook voor David de Goede een steen geplaatst aan de Stationsweg. Klik hier voor de foto’s.

Vrouwtje de Raaij-de Jong (46)

Geboren: 20 september 1896 te Amsterdam
Omgebracht:  17 september 1943 te Auschwitz

Onderduikadres: Stationsweg 32 (bij mejuffrouw Nederlof). Bij de hernummering van de Stationsweg in 1952 kreeg de woning nr. 42.

J.A. Batenburg schreef in zijn boek “Sliedrecht in oorlogstijd” – naar wij veronderstellen op basis van de op dat moment bij hem bekend zijnde gegevens – dat in 1943 13 Joden bij mejuffrouw Nederlof waren ondergedoken. Wat er precies met hen is gebeurd blijft schimmig: “Toen de Duitsers huiszoeking kwamen doen, zijn enige Joden via het dak gevlucht en hebben zich verstopt achter het station. Helaas werd de vluchtpoging opgemerkt en zijn alle 13 Joden achterhaald. Omdat de groep te groot was voor de overvalwagen is een bus van de M.E.G.G.A. gehaald om de mensen naar Rotterdam te vervoeren. Niemand weet waar de Joden vandaan kwamen en waar ze later naar toe zijn gebracht”. Ook meldt het verhaal: “Twee politieagenten moesten de ontsnapte Joden gaan zoeken. Doelbewust volgden ze verkeerde aanwijzingen van omstanders en hebben geen vluchteling gezien”.

In het dagrapport van de Sliedrechtse politie van woensdag 3 maart (op donderdag 4 maart) 1943 lezen we dat om 11.30 “op last van de Duitse politie, Devisenschutzkommando Niederlande, Aussenstelle R’dam, Parklaan 40 politieassistentie is verleend bij de arrestatie van een achttal Joden, die zich in strijd met de desbestreffende voorschriften ophielden bij Mejuffrouw Nederlof, Stationsweg 32 alhier. Een tweetal Joden namen bij de komst van de Duitsche beambten de vlucht. Een der Duitschers loste een schot doch miste, waarom de Joden richting van den Dijk wegliepen. De overige Joden werden door voornoemde beambten naar het Bureau van Politie overgebracht”.

De namen van de acht opgepakte Joodse onderduikers:
Joseph de Raaij;
Vrouwtje de Raaij-de Jong (echtgenote van Joseph);
David de Goede;
Julia de Goede-Salomons (moeder van David);
Rozette van Aals;
Martha Kattenburg-Goldstein (schoonzus van Antoinetta en Hester);
Antoinetta Rosenau-Fles (zus van Hester) en
Hester Kattenburg-Fles (zus van Antoinetta).

Via het Rode Kruis is achterhaald dat ze allemaal op 29 maart zijn aangekomen in Westerbork en van daaruit op transport zijn gesteld naar Duitsland. Joseph en Vrouwtje zijn op 17 september 1943 vermoord in Auschwitz. Bij de anderen gebeurde dat in Sobibor op 9 april 1943.

Het dagrapport vermeldt ook wie er zijn ontkomen:
“De ontvluchte Joden, volgens opgave van Mejuffrouw Nederlof, genaamd: Jacob Loeb, oud 20 jaar en Aaron Nathan, oud 29 jaar, verbleven sedert eenige maanden ten huize van Mejuffrouw Nederlof, voornoemd, evenals de andere genoemde Joden”.

Lees ook het artikel in het periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht, december 2019: Verhalen over de bewoners van Stationsweg 32 tijdens de oorlog.

Op 7 oktober 2019 is er ook voor Vrouwtje de Raaij-de Jong een steen geplaatst aan de Stationsweg. Klik hier voor de foto’s.

Joseph de Raaij (51)

Geboren: 27 september 1891 te Haarlem
Omgebracht:  17 september 1943 te Auschwitz

Onderduikadres: Stationsweg 32 (bij mejuffrouw Nederlof). Bij de hernummering van de Stationsweg in 1952 kreeg de woning nr. 42.

J.A. Batenburg schreef in zijn boek “Sliedrecht in oorlogstijd” – naar wij veronderstellen op basis van de op dat moment bij hem bekend zijnde gegevens – dat in 1943 13 Joden bij mejuffrouw Nederlof waren ondergedoken. Wat er precies met hen is gebeurd blijft schimmig: “Toen de Duitsers huiszoeking kwamen doen, zijn enige Joden via het dak gevlucht en hebben zich verstopt achter het station. Helaas werd de vluchtpoging opgemerkt en zijn alle 13 Joden achterhaald. Omdat de groep te groot was voor de overvalwagen is een bus van de M.E.G.G.A. gehaald om de mensen naar Rotterdam te vervoeren. Niemand weet waar de Joden vandaan kwamen en waar ze later naar toe zijn gebracht”. Ook meldt het verhaal: “Twee politieagenten moesten de ontsnapte Joden gaan zoeken. Doelbewust volgden ze verkeerde aanwijzingen van omstanders en hebben geen vluchteling gezien”.

In het dagrapport van de Sliedrechtse politie van woensdag 3 maart (op donderdag 4 maart) 1943 lezen we dat om 11.30 “op last van de Duitse politie, Devisenschutzkommando Niederlande, Aussenstelle R’dam, Parklaan 40 politieassistentie is verleend bij de arrestatie van een achttal Joden, die zich in strijd met de desbestreffende voorschriften ophielden bij Mejuffrouw Nederlof, Stationsweg 32 alhier. Een tweetal Joden namen bij de komst van de Duitsche beambten de vlucht. Een der Duitschers loste een schot doch miste, waarom de Joden richting van den Dijk wegliepen. De overige Joden werden door voornoemde beambten naar het Bureau van Politie overgebracht”.

De namen van de acht opgepakte Joodse onderduikers:
Joseph de Raaij;
Vrouwtje de Raaij-de Jong (echtgenote van Joseph);
David de Goede;
Julia de Goede-Salomons (moeder van David);
Rozette van Aals;
Martha Kattenburg-Goldstein (schoonzus van Antoinetta en Hester);
Antoinetta Rosenau-Fles (zus van Hester) en
Hester Kattenburg-Fles (zus van Antoinetta).

Via het Rode Kruis is achterhaald dat ze allemaal op 29 maart zijn aangekomen in Westerbork en van daaruit op transport zijn gesteld naar Duitsland. Joseph en Vrouwtje zijn op 17 september 1943 vermoord in Auschwitz. Bij de anderen gebeurde dat in Sobibor op 9 april 1943.

Het dagrapport vermeldt ook wie er zijn ontkomen:
“De ontvluchte Joden, volgens opgave van Mejuffrouw Nederlof, genaamd: Jacob Loeb, oud 20 jaar en Aaron Nathan, oud 29 jaar, verbleven sedert eenige maanden ten huize van Mejuffrouw Nederlof, voornoemd, evenals de andere genoemde Joden”.

Lees ook het artikel in het periodiek van de Historische Vereniging Sliedrecht, december 2019: Verhalen over de bewoners van Stationsweg 32 tijdens de oorlog.

Op 7 oktober 2019 is er ook voor Joseph de Raaij een steen geplaatst aan de Stationsweg. Klik hier voor de foto’s.

Marleentje Sanders (8)

Geboren: 8 oktober 1934 te Amsterdam
Omgebracht: 10 september 1943 te Auschwitz

Onderduikadres in Sliedrecht: Hugo de Grootstraat 70

David en Clara Sanders laten begin 1942 hun drie kinderen (Eline, 12-12-1932; Marie Lena/Marleentje en Elbert Daan/Bertje, 14-02-1939) onderduiken op twee verschillende adressen. Zelf weigeren ze te verdwijnen, ze gaan zonder ster op straat, met valse persoonsbewijzen.

Als David en Clara op 26 augustus 1943 worden gearresteerd probeert Jodenjager* Engelbert Kobus achter de adressen te komen waar hun kinderen ondergebracht zijn. Hij slaat vader David met een boksbeugel net zo lang en net zo hard tot die geen tand meer in zijn mond heeft. Als wordt gedreigd Clara op dezelfde wijze te mishandelen, geeft Sanders de adressen. Kobus gaat zelf naar Sliedrecht. Daar zitten de twee jongste kinderen, Marleentje en Bertje. Ze wonen sinds het voorjaar 1942 bij de familie Hollebrands in de Hugo de Grootstraat, die voor ze zorgt alsof het eigen kinderen zijn.

Al een dag na de arrestatie van David en Clara meldt Kobus zich bij de politie in Sliedrecht. Vergezeld door een van de agenten gaat hij naar de Hugo de Grootstraat. Als Kobus aanbelt, beweert mevrouw Hollebrands vruchteloos dat Marleen en Bertje logés zijn, kinderen van kennissen. Maar Kobus heeft de persoonsbewijzen van de ouders in zijn handen.

Na de oorlog zegt mevrouw Hollebrands tegen de politie:
‘We hadden de kleinen ruim een jaar in huis gehad en ik was zeer aan hen gehecht. Met grote angstogen stond Marleentje bij mij toen ik de koffer pakte en vroeg mij of die man een NSB’er was en of het waar was dat haar broertje en zij met die man mee moesten. Ik stelde haar gerust en zei dat zij naar hun ouders zouden worden gebracht. Mijn hart brak bij al die ellende, want ik begreep wat die kinderen te wachten stond.’

Ook Eline (Elly) ondergedoken bij een boer in Barchem (in de Achterhoek vlak bij de Duitse grens) wordt opgehaald. Joop Hollebrands, de Sliedrechtse “vader” van Marleen en Bertje, wordt zo woedend dat ze de twee kinderen bij zijn gezin hebben weggehaald, dat hij naar Amsterdam reist en probeert de Joodse familie te redden. Het lukt hem door te dringen tot de Hollandse Schouwburg, spreekt daar met de in elkaar geslagen David en bedenkt van alles om ze vrij te krijgen – tot omkoping aan toe. In de crèche ziet hij ook de drie kinderen, die inmiddels weer bij elkaar zijn: ‘De koffer met kleren van Marleentje en Bertje was reeds gestolen. Terwijl Bertje, die een zwakke gezondheid had, in ijlende koorts lag.’

Hollebrands doet zondag 5 september een uiterste poging en het lukt hem David en Clara heelhuids uit de Hollandse Schouwburg en twee van de drie kinderen uit de crèche te krijgen. Maar Eline blijft achter. Op hun opvangadres worden de vier binnen een paar uur alweer opgepakt, en toen waren alle kansen verkeken.

David, Clara, Elly, Marleentje en Bertje Sanders gaan direct op straftransport en worden op 10 september 1943 in Auschwitz vermoord. Marleentje en Bertje worden 8 en 4 jaar jong.

Voor dit verhaal is gebruik gemaakt van het boek “De tragische ondergang van de familie Sanders” van Dick Verkijk.

*Vanaf 1943 ontvingen medewerkers van de Sicherheitsdienst (SD) een premie voor elke Jood die zou worden opgepakt. In de grote steden kwamen ook enkele afdelingen van politie in aanmerking voor die beloning. In Amsterdam pakte de Colonne Henneicke tussen maart en september 1943 ruim 8.000 Joden op. Voor elke opgepakte Jood kregen de leden minimaal 7,50 gulden ‘kopgeld’. In de herfst van 1944 waren de premies opgelopen tot 40 gulden per Jood. Tijdens arrestaties en verhoren schuwden leden van de Colonne Heinecke geweld niet.

Op vrijdagmiddag 27 april 2018 (Koningsdag) heeft Gunter Demnig rond 14.00 uur bij het adres Hugo de Grootstraat 70 een Struikelsteen voor Bertje Sanders en zijn zusje Marleentje gelegd. Corrie Smaardijk-Hollebrands, die in de oorlog van dezelfde leeftijd was als Bertje en Marleentje, woonde samen met haar zoon Joop de ceremonie bij en zij hielden er een toespraak. Ook Dick Verkijk, auteur van het boek “De tragische ondergang van de familie Sanders” hield een toespraak. Jansje Stodel sloot de ceremonie af.

Bertje Sanders (4)

Geboren: 14 februari 1939 te Amsterdam
Omgebracht: 10 september 1943 te Auschwitz

Onderduikadres in Sliedrecht: Hugo de Grootstraat 70

David en Clara Sanders laten begin 1942 hun drie kinderen (Eline, 12-12-1932; Marie Lena/Marleentje, 8-10-1934 en Elbert Daan/Bertje) onderduiken op twee verschillende adressen. Zelf weigeren ze te verdwijnen, ze gaan zonder ster op straat, met valse persoonsbewijzen.

Als David en Clara op 26 augustus 1943 worden gearresteerd probeert Jodenjager* Engelbert Kobus achter de adressen te komen waar hun kinderen ondergebracht zijn. Hij slaat vader David met een boksbeugel net zo lang en net zo hard tot die geen tand meer in zijn mond heeft. Als wordt gedreigd Clara op dezelfde wijze te mishandelen, geeft Sanders de adressen. Kobus gaat zelf naar Sliedrecht. Daar zitten de twee jongste kinderen, Marleentje en Bertje. Ze wonen sinds het voorjaar 1942 bij de familie Hollebrands in de Hugo de Grootstraat, die voor ze zorgt alsof het eigen kinderen zijn.

Al een dag na de arrestatie van David en Clara meldt Kobus zich bij de politie in Sliedrecht. Vergezeld door een van de agenten gaat hij naar de Hugo de Grootstraat. Als Kobus aanbelt, beweert mevrouw Hollebrands vruchteloos dat Marleen en Bertje logés zijn, kinderen van kennissen. Maar Kobus heeft de persoonsbewijzen van de ouders in zijn handen.

Na de oorlog zegt mevrouw Hollebrands tegen de politie:
‘We hadden de kleinen ruim een jaar in huis gehad en ik was zeer aan hen gehecht. Met grote angstogen stond Marleentje bij mij toen ik de koffer pakte en vroeg mij of die man een NSB’er was en of het waar was dat haar broertje en zij met die man mee moesten. Ik stelde haar gerust en zei dat zij naar hun ouders zouden worden gebracht. Mijn hart brak bij al die ellende, want ik begreep wat die kinderen te wachten stond.’

Ook Eline (Elly) ondergedoken bij een boer in Barchem (in de Achterhoek vlak bij de Duitse grens) wordt opgehaald. Joop Hollebrands, de Sliedrechtse “vader” van Marleen en Bertje, wordt zo woedend dat ze de twee kinderen bij zijn gezin hebben weggehaald, dat hij naar Amsterdam reist en probeert de Joodse familie te redden. Het lukt hem door te dringen tot de Hollandse Schouwburg, spreekt daar met de in elkaar geslagen David en bedenkt van alles om ze vrij te krijgen – tot omkoping aan toe. In de crèche ziet hij ook de drie kinderen, die inmiddels weer bij elkaar zijn: ‘De koffer met kleren van Marleentje en Bertje was reeds gestolen. Terwijl Bertje, die een zwakke gezondheid had, in ijlende koorts lag.’

Hollebrands doet zondag 5 september 1943 een uiterste poging en het lukt hem David en Clara heelhuids uit de Hollandse Schouwburg en twee van de drie kinderen uit de crèche te krijgen. Maar Eline blijft achter. Op hun opvangadres worden de vier binnen een paar uur alweer opgepakt en toen waren alle kansen verkeken. David, Clara, Elly, Marleentje en Bertje Sanders gaan direct op straftransport en worden op 10 september 1943 in Auschwitz vermoord. Marleentje en Bertje worden 8 en 4 jaar jong.

Voor dit verhaal hebben we gebruik gemaakt van het boek “De tragische ondergang van de familie Sanders” van Dick Verkijk.

Vanaf 1943 ontvingen medewerkers van de Sicherheitsdienst (SD) een premie voor elke Jood die zou worden opgepakt. In de grote steden kwamen ook enkele afdelingen van politie in aanmerking voor die beloning. In Amsterdam pakte de Colonne Henneicke tussen maart en september 1943 ruim 8.000 Joden op. Voor elke opgepakte Jood kregen de leden minimaal 7,50 gulden ‘kopgeld’. In de herfst van 1944 waren de premies opgelopen tot 40 gulden per Jood. Tijdens arrestaties en verhoren schuwden leden van de Colonne Heinecke geweld niet.

Op vrijdagmiddag 27 april 2018 (Koningsdag) heeft Gunter Demnig rond 14.00 uur bij het adres Hugo de Grootstraat 70 een Struikelsteen voor Bertje Sanders en zijn zusje Marleentje gelegd. Corrie Smaardijk-Hollebrands, die in de oorlog van dezelfde leeftijd was als Bertje en Marleentje, woonde samen met haar zoon Joop de ceremonie bij en zij hielden er een toespraak. Ook Dick Verkijk, auteur van het boek “De tragische ondergang van de familie Sanders” hield een toespraak. Jansje Stodel sloot de ceremonie met een dankwoord af.